De rekening van de revolutie
Wie betaalt de productiviteitswinst van AI?
Ik ga beginnen met iets wat ik misschien te vaak doe: mezelf citeren.
In augustus 2023 schreef ik op mijn Netlash-blog een opiniestuk over de nood aan een nieuwe belasting. Een taks op de CPU-cycles van AI-algoritmes, naar analogie van de 19e-eeuwse Belgische “belasting op drijfkracht” - een taks die in sommige Vlaamse gemeenten, ik zweer het, tot op vandaag bestaat in de wetgeving. De reacties waren vriendelijk. Een paar mensen deelden het. Niemand deed er iets mee. Ikzelf ook niet.
Ik schrijf dit stuk omdat ik denk dat het tijd is om dat recht te zetten. Niet omdat ik zo graag gelijk heb - hoewel, laten we eerlijk zijn - maar omdat de cijfers er intussen zijn, en het ongemakkelijke patroon dat ik in 2023 aanvoelde zich sindsdien vrolijk aan het bewijzen is.
Iemand betaalt de rekening van de AI-revolutie. Die rekening wordt niet betaald door degenen die de productiviteitswinst opstrijken. En het wordt stilaan tijd dat we dat collectief durven benoemen.
Eerst dit: ik ben geen techno-pessimist
Dat moet ik van mezelf zeggen, want zodra je de woorden “AI” en “rekening” in dezelfde zin gebruikt, word je in bepaalde kringen aangezien voor iemand die thuis nog met een faxmachine werkt en denkt dat de hamer gevaarlijk was voor de spijker.
Ik ben ondernemer. Ik heb zeventien jaar een digitaal bureau gebouwd. Ik gebruik AI, ik omarm AI, ik adviseer anderen over AI. Ik heb geen zin om terug te keren naar het tijdperk van de handmatig bijgehouden spreadsheet, de fotobewerking in vijf stappen of de vergadering die een e-mail had kunnen zijn.
En: AI schept jobs. Elke technologische revolutie heeft dat gedaan, en wie dat ontkent, heeft de economische geschiedenis selectief gelezen, waarschijnlijk op een door AI samengevatte Wikipedia-pagina.
De mechanisering van de landbouw verarmde een generatie boeren - en maakte tegelijk een industriële arbeidersklasse mogelijk die twintig jaar later betere lonen verdiende dan hun voorouders ooit hadden gekend. De spreadsheet maakte de boekhouder niet overbodig. Hij maakte hem betaalbaar voor bedrijven die zich voordien geen boekhouder konden veroorloven. De typiste verdween, maar de kenniswerker verscheen. Het klopt allemaal.
Maar - en dit is het “maar” waar dit stuk om draait - er zit een structureel verschil tussen deze revolutie en alle vorige. En dat verschil heeft alles te maken met snelheid. En met wie de overgangsperiode betaalt.
De oudste truc in het handboek
Laat me u voorstellen aan een concept dat economen al sinds 1920 kennen maar dat politici liever vermijden: de negatieve externaliteit. Het idee is simpel. Als jij iets produceert en de kosten daarvan afwentelt op iemand anders die er niet voor gekozen heeft, heet dat een externaliteit. De klassieke voorbeelden zijn industriële vervuiling - de fabriek loost zijn rookgassen gratis in de atmosfeer, de samenleving betaalt via gezondheidszorg en klimaatschade.
AI heeft een arbeidsexternaliteit. En hij werkt als volgt.
Een bedrijf - laten we zeggen een verzekeringsmaatschappij, een bank, een marketingbureau - implementeert AI-tools. De productiviteit stijgt met 20, 30, soms 40%. Vijf medewerkers worden niet vervangen wanneer ze vertrekken. Of er volgt een herstructurering. De aandeelhouder is tevreden. De kwartaalcijfers ook.
En de vijf medewerkers?
Die vallen terug op de werkloosheidsuitkering. Op de VDAB. Ze gaan naar een omscholingsprogramma gefinancierd door de gemeenschap. Hun stress maakt hen ziek - de doktersrekening wordt deels betaald door de mutualiteit. Hun kinderen gaan naar school - door de overheid gefinancierd. De sociale frictie van de transitie - die absorbeert de samenleving.
De productiviteitswinst staat in de jaarrekening van het bedrijf. De transitiekost staat op de belastingbrief van u en mij.
Dit is geen aanklacht. Dit is een beschrijving. Het systeem werkt zo - niet uit kwade wil, maar omdat het er structureel niet op gebouwd is om het anders te doen. De stoommachine-eigenaar in 1850 was ook geen monster. Hij had gewoon een machine gekocht en merkte niet dat de wevers die hij ontsloeg twaalf jaar lang bedelend door Manchester liepen voordat er iets van sociaal beleid bestond.
Het IMF schat dat circa 40% van de wereldwijde werkgelegenheid significant wordt blootgesteld aan AI, met een bijzonder zware impact in gevorderde economieën. Dat zijn geen getallen van doemdenkers. Dat zijn getallen van de instelling die ook de groeiprognoses beheert.
De ongelijkheid die niemand graag benoemt
Er is nog een tweede mechanisme dat me zorgen baart - niet als pessimist, maar als iemand die gelooft in het Europese sociale model.
AI-adoptie begunstigde disproportioneel hoogopgeleide werknemers, corporaties en investeerders, terwijl laag- en middelbaar opgeleide werknemers worden verdrongen. De rijkste 10% van de wereldbevolking ervaart inkomensstijgingen door AI-integratie, terwijl de armste 10% een daling van hun inkomensaandeel ziet.
Laat me dat concreet maken, want abstracte percentages zijn het gif van het publieke debat.
De hoogopgeleide consultant gebruikt AI om vijf keer meer rapporten te schrijven in dezelfde tijd. Zijn onderhandelingspositie versterkt. De middelmatig opgeleide administratief medewerker ziet zijn takenpakket krimpen omdat die rapporten niet meer handmatig verwerkt hoeven te worden. Zijn onderhandelingspositie verzwakt.
De typiste werd verdrongen door de computer - maar haar kinderen werden administratief bedienden. De administratief bediende wordt nu verdrongen door AI. Voor welke job worden diens kinderen opgeleid? En wie betaalt die opleiding?
Dit is geen dystopie, maar gewoon de arbeidsmarkt die reageert op een nieuwe productiefactor. Maar het betekent wel dat de vruchten van de AI-revolutie ongelijk worden verdeeld - en dat die ongelijkheid zich nestelt juist in de middenklasse die de vorige golven van automatisering relatief ongeschonden overleefde. De witte boord die dacht dat hij veilig zat omdat hij met zijn hoofd werkte, ontdekt nu dat zijn hoofd ook vervangbaar is. Deels. Maar genoeg.
Het lokale probleem met een Californisch algoritme
In 2023 schreef ik al over het winner-takes-all-probleem van de digitale economie.
Drie jaar later kijk ik om me heen. De Belgische KMO die ChatGPT gebruikt voor haar klantenservice, Midjourney voor haar marketing en GitHub Copilot voor haar software, bespaart reëel geld. Dat is legitiem. Dat is slim ondernemen. Maar die besparingen zijn in feite royalties die worden overgemaakt aan San Francisco.
De opkomst van digitale sociale mediaplatformen en zoekmachines zoog een groot deel van de advertentiegelden weg uit het nationale ecosysteem - en daarmee veel van de middelen om lokaal nieuws, entertainment en cultuur te produceren. Die fout mogen we geen twee keer maken. Dat schreef ik in 2023. De analogie is in 2026 scherper dan ooit.
De belastingen op de winsten van die AI-platforms worden betaald in Californië - of in Ierland als we pech hebben. De omscholingskosten voor de verdrong medewerker worden betaald door de Belgische of Nederlandse belastingbetaler. De lusten zijn geïmporteerd. De lasten zijn lokaal.
Dat is geen reden om te stoppen met AI gebruiken. Het is een reden om er beleid op te maken.
De tijdshorizon die niemand politiek durft te benoemen
Hier zit de echte kern van het probleem - en waarom het zo moeilijk op te lossen is. Het is niet cynisme. Het is architectuur.
Bedrijven optimaliseren op kwartaalresultaten. Politici optimaliseren op verkiezingscycli van vier tot vijf jaar. Externaliteiten manifesteren zich op een tijdschaal van tien tot twintig jaar.
Dit is precies de mismatch die klimaatactie decennialang vertraagde. De koolstofdioxiderekening werd aangemaakt in 1850. We kregen hem pas in de jaren negentig doorgestuurd - en we zijn hem nog steeds aan het betwisten. AI en arbeid herhalen dat patroon, maar sneller. De rekening wordt nu aangemaakt. Over tien jaar zullen we zeggen dat we het zagen aankomen.
We zien het aankomen.
Dat is het enige voordeel dat we hebben ten opzichte van de Engelse fabrikant van 1820, die echt niet wist wat hij in gang zette. Wij weten het. We hebben de data. We hebben de historische precedenten. We hebben een IMF-rapport, een reeks academische studies en - als het echt moet - mijn blog van 2023.
Het enige wat we nu nog nodig hebben, is de bereidheid om te handelen vóór de commissie in plaats van erna.
Maar het eindigt goed - als we het willen
Ik ben van nature optimist. Niet het naïeve soort waarbij je de problemen wegwuift, maar het nuchtere soort waarbij je gelooft dat mensen collectieve problemen kunnen oplossen als ze ze eerlijk benoemen.
De goede nieuwsberichten bestaan ook. De Europese AI Act is een begin - onvolmaakt, log, bekritiseerd, maar het is beleid dat er vóór de ramp is gekomen in plaats van erna. Dat is historisch zeldzamer dan het lijkt. Overheden beginnen te praten over digitale belastingen, over minimumbelastingen op techreuzen, over omscholingsverplichtingen. De markt corrigeert ook, zij het traag: bedrijven die puur op kostenreductie inzetten zonder te investeren in hun mensen ontdekken dat ze over twee jaar geen seniorenteam meer hebben, omdat de juniors nooit zijn aangeworven.
En de creativiteit van de menselijke geest heeft nog nooit gefaald op lange termijn. Er komen jobs die ik nu niet kan verzinnen - net zoals niemand in 1995 kon uitleggen wat een “social media manager” was.
Maar “het komt uiteindelijk wel goed” is geen beleid. Het is een geruststelling. En een geruststelling is geen plan.
Drie concrete oproepen
Ik eindig waar ik in 2023 ook eindigde: met een pleidooi. Maar scherper. En voor een breder publiek.
Aan beleidsmakers - op elk niveau, van gemeenteraad tot Europees Parlement:
Heractiveer het principe van de belasting op drijfkracht. Niet als straf voor innovatie - want dat werkt niet en doodt precies de lokale helden die we nodig hebben. Maar als mechanisme om de transitiekosten eerlijk te verdelen. Het precedent bestaat. De juridische architectuur ook. Wat ontbreekt is de politieke wil om het te zeggen zonder onmiddellijk door de techindustrie te worden afgeschilderd als iemand die de vooruitgang wil verbieden. Degenen die oproepen tot eerlijke kostenverdeling zijn niet tegen AI. Ze zijn voor een samenleving die de vruchten ervan kan dragen.
Aan ondernemers en bedrijfsleiders:
Wie de productiviteitswinst van AI incasseert, is medeverantwoordelijk voor de transitie. Dat hoeft niet via belastingen alleen. Het kan via eerlijke afbouw in plaats van plotse ontslagrondes. Via investering in omscholing als onderdeel van de P&L, niet als gunst. Via transparantie over wat AI doet met de arbeidsstructuur van uw bedrijf. Ik vraag niet om altruïsme. Ik vraag om het lange-termijn eigenbelang dat verhindert dat over tien jaar het maatschappelijke draagvlak voor technologische innovatie volledig is opgedroogd.
Aan burgers en kiezers:
De vraag “welke politicus is voor of tegen AI?” is de verkeerde vraag. De verkeerde vraag leidt tot de verkeerde antwoorden en uiteindelijk tot beleid dat ofwel alles verbiedt ofwel niets regelt. De juiste vraag is: wie heeft een concreet plan voor de rekening? Wie betaalt de transitie, hoe, en over welke tijdshorizon? Stel die vraag aan uw lokale politicus. Stel ze aan de lijstrekker. Stel ze aan de CEO die op een conferentie vertelt hoe fantastisch AI is voor zijn productiviteit.
En als ze niet kunnen antwoorden - vraag hen dan wie ze denken dat het wél zal betalen.
De belasting op drijfkracht werd ingevoerd door mensen die begrepen dat een revolutie niet alleen winnaars produceert, en dat de overgangsperiode gemeenschappelijke middelen vraagt. Die mensen leefden in 1823. Ze hadden geen data, geen IMF-rapporten, geen historische precedenten.
Wij hebben dat alles.
Het enige excuus dat we niet hebben, is dat we het niet wisten.
Bart De Waele is co-founder van IKAg, voormalig agencyondernemer en schrijft over de digitale economie. Hij publiceerde in augustus 2023 al een pleidooi voor een belasting op AI-algoritmes op Netlash.



