Mijn dochter is bijna zestien. Op woensdagavond breng ik haar naar Drama en Woord. Veertig minuten rijden, naar een academie in een andere gemeente. Waarom die van ons dorp niet goed genoeg was, heb ik nooit begrepen. Ik heb het ook nooit gevraagd.
Ze stapt in met haar rugzak op één schouder, sinds september, en ze zet haar voeten op het dashboard. Dat mag niet. Ik heb dat één keer gezegd, twee jaar geleden, en sindsdien doet ze het elke woensdag en zeg ik niets. Zo werken afspraken bij ons.
Ze zet haar muziek op. Dat mag ze, want het is haar les.
Ik vraag hoe het op school was. Ze zegt “ja”. Dat is bij ons een volledig antwoord.
Drie jaar geleden zijn we samen naar Taylor Swift geweest. Drie en een half uur. Ze kende elk woord. Ik kende er een paar, van in de auto, en ik heb ze niet meegezongen, want dat was de afspraak. Ik bleef op twee rijen afstand.
Ze had armbandjes gemaakt, met letters. Ik heb er een gekregen. Hij hangt nog aan de versnellingspook.
Er is een nieuw album. Ze vindt het niet zo goed. Ze slaat de meeste nummers over. Ze slaat er één niet over, en bij dat ene kijkt ze naar buiten, en dan ken ik de weg plots beter dan anders.
Vorige week had ze een opdracht gehad. Een portret, vijf minuten, over iemand die je kent. Voor de hele klas. Ik heb niet gevraagd of ik het mocht lezen. Dat vraag je niet.
Ze had mij gekozen. Dat weet ik omdat mijn vrouw het mij zei, want zij had het aan mijn vrouw gezegd, en zo komen dingen bij mij.
Ik heb een blad gemaakt. Wat een adviseur doet, voor wie, en waarom bedrijven dat nodig hebben. Met een schema. Ik heb er een avond aan gewerkt. Dat is langer dan ik voor de meeste klanten doe. Ik heb het op haar bureau gelegd, ‘s avonds, en ben naar beneden gegaan voor ze thuiskwam.
Ze heeft er niets over gezegd. Ik ook niet.
Deze woensdag zat ze naast mij met haar telefoon, en ergens voorbij de Carrefour zei ze, zonder op te kijken:
“Ik heb mijn portret gedaan.”
“Ja?”
“De juf vond het goed.”
“Dat is goed.”
Ik ben voor het rood gestopt alsof dat een verdienste was.
“Heb je mijn blad gebruikt?”
“Nee.”
“Oké.”
Ik heb één ‘oké’. Zij kan ‘oké’ zeggen op vijf manieren, en ik ken ze alle vijf.
“Wat heb je dan gezegd?”
Ze keek naar buiten. Daar was niets. Een man in een bestelwagen die at uit een zakje. Ze keek er toch naar.
“Ik ben begonnen met: consultants zijn de leraars L.O. van de zakenwereld.”
Ik heb een rotonde genomen. Goed, met de juiste handpositie. Pas aan de afrit heb ik iets gezegd.
“Leg eens uit.”
“Nee. Dat is het hele punt. Je moet het niet uitleggen. Iedereen heeft er eentje gehad.”
“En dan?”
“Dan heb ik het uitgelegd. Vier minuten. Met jou als voorbeeld. De juf heeft gelachen. Lotte ook. Lotte lacht nooit.”
Ik heb daar vijf kilometer over nagedacht.
Ze had gelijk, en dat was niet het ergste. Het ergste was dat ik meteen een lijst begon te maken.
Hij draagt altijd dezelfde kleren, ook op een oudercontact.
Hij is enthousiaster dan het vak verdient.
Hij heeft een fluitje, en niemand weet nog waarvoor.
Hij laat je rondjes lopen rond iets wat je al kent.
Hij zegt “nog één” en bedoelt drie.
Hij staat erbij. Hij doet het zelf niet.
Niemand herinnert zich iets wat hij heeft gezegd. Iedereen herinnert zich hém.
Bij dat laatste heb ik de ruitenwisser aangezet. Het regende niet.
“Papa. De ruitenwisser.”
Ik zette hem af.
“Ik had een leraar L.O.,” zei ik. “Meester Dirk.”
“Je gaat dit nu persoonlijk maken.”
“Hij zei altijd ‘nog één rondje’. En dan nog één. En op het einde van het jaar liep ik vijftien rondjes en dacht ik dat ik dat zelf had beslist.”
Ze zei niets.
Ik dacht aan mijn klanten. Aan hoeveel keer ik nog één vraag stelde, nog één oefening voorstelde, nog één vergadering nodig vond.
“Dat is helemaal juist,” zei ik.
“Het was een grap, papa.”
“Het was een goeie.”
“Ik weet het.”
Ze zei het zonder op te kijken, maar ze lachte, ik zag het in de ruit. Ik heb niet opzij gekeken. Dat is ook een afspraak.
Het ene nummer kwam op. Ze sloeg het niet over. Ze keek naar buiten.
Ik ken de woorden van dat nummer. Van drie jaar geleden, toen ze het nog luid zong, met het raam open, in een file voor Antwerpen waar ik mij voor het eerst niet aan ergerde.
Ik heb niet meegezongen. Ik heb aan de file gedacht.
De academie heeft een parking met acht plaatsen en een haag. Ik zet mij altijd op dezelfde, de derde, langs de haag. Ik blijf daar anderhalf uur. Heen en terug rijden heeft geen zin, dat heb ik berekend, al klopt de berekening niet helemaal en weet ik dat.
Over twee jaar heeft ze haar rijbewijs. Dat heb ik ook berekend.
Ze nam haar rugzak. Ze deed de deur open. Ze draaide zich half om, zoals je je omdraait om iets te zeggen dat je eigenlijk niet kunt zeggen.
Ze keek mij aan. Recht. Dat gebeurt niet meer zo vaak.
“Nog één rondje,” zei ze.
En ze was weg.
Met kerst gaf ze mij een pakje. Klein, plat, in het papier van vorig jaar.
Een fluitje. Metaal, met een koord.
“Voor de klanten,” zei ze, en ze keek naar haar bord.
Ik heb niets gezegd. Dat was duidelijk de voorwaarde.
Ik heb het aan mijn sleutelring gehangen.
Ik heb er nog nooit op gefloten. Ik denk niet dat dat de bedoeling is. Ik denk dat de bedoeling is dat ik weet dat het er hangt.
In januari zat ik bij een klant. Drie partijen, een lange voormiddag, en tegen half twaalf wilde iedereen stoppen.
Ik heb mijn hand in mijn zak gestoken.
“Nog één rondje,” zei ik.
Ze zijn gebleven.
De woensdag erna heb ik dat verteld, voorbij de Carrefour. Ze had haar voeten op het dashboard.
“Dat is mijn zin,” zei ze.
“Ik weet het.”
“Je mag die gebruiken.”
Daarna zette ze het ene nummer op. Niet omdat het aan de beurt was.
Ik heb niet meegezongen.
Maar ik heb het raam een stukje opengedaan.



