I. Januari
Ik heb mijn nieuwjaarsbrief zelf geschreven. Met een balpen, op papier uit de krantenwinkel aan de Brugse Poort. In de derde zin staat een dt-fout. Die heb ik laten staan, als bewijs.
Niemand gelooft het.
‘Schoon gedaan,’ zegt mijn tante, op de toon waarop je een kind van vier zijn tekening teruggeeft. Mijn nonkel vraagt welk model ik gebruikt heb voor het handschrift. Hij bedoelt het niet slecht. Hij denkt gewoon dat niemand van negentien nog weet hoe je een pen vasthoudt. Hij heeft gelijk. Ik heb drie avonden geoefend.
Ik ben eigenlijk te oud voor een nieuwjaarsbrief. Maar het is het enige wat ik dit jaar gemaakt heb waar niemand om gevraagd had.
We zitten bij mama, in het rijhuis in Gent. Opa is opgehaald uit het woonzorgcentrum in Drongen en zit in zijn rolstoel aan het hoofd van de tafel. Hij volgt het gesprek zoals je een trein volgt die voorbijrijdt. De rollade is gekweekt in een vat in Aalst en smaakt naar rollade. Mijn nonkel proeft toch het verschil, zegt hij. Na het dessert begint de jaarlijkse discussie of we bomma aanzetten. Ze is drie jaar dood. Haar stem is er nog, en haar mop over de pastoor van Mariakerke. Sinds haar dood heeft ze Spaans geleerd. Niemand weet waarom. Door een update vloekt ze ook niet meer. Opa vindt dat ze daardoor niet meer op bomma trekt. Mijn tante wil het. Mama niet. Opa zegt niets, en dus zetten we haar aan, en ze vraagt aan iedereen of er genoeg gegeten is.
Ik ben geboren in 2017. Toen ik tien was, nam het agency waar mama werkte voor het eerst geen juniors meer aan. Niemand werd ontslagen, daarvoor zijn we hier te beschaafd. Er kwam gewoon niemand meer bij. In 2029 viel de regering over het AI-dividend. Een half jaar later was het er toch: geïndexeerd, uitbetaald via het ziekenfonds, met een aparte regel op de loonbrief. In 2031 schafte de universiteit het ingangsexamen geneeskunde af, omdat er geen reden meer was om iemand tegen te houden. In 2033 studeerde mijn nicht af als jurist. Ze heeft nog nooit een dossier gezien. In 2034 loste een datacenter in Zeeland de laatste open vraagstukken van de wiskunde op, op een dinsdag. Het stond op pagina zes.
Mama werkt nu bij het Vlaams Woonkrediet. Haar functie heet menselijke eindverantwoordelijke. Ze tekent af wat het systeem beslist, een paar honderd dossiers per dag. Ze wordt er goed voor betaald. De wet eist een mens onder elke beslissing, en zij is die mens. Een stempel met een loon.
‘En gij, Wout?’ vraagt mijn nonkel. ‘Waar zijt ge mee bezig?’
Vroeger vroegen ze wat je van werk deed. Dat is onbeleefd geworden.
‘Met van alles,’ zeg ik.
Bomma vraagt of er genoeg gegeten is.
II. Lente
In maart staat opa recht. In april belt hij.
Ik vraag eerst het codewoord. Dat doet iedereen, een stem bewijst niets meer.
‘Paling in ‘t groen,’ zegt hij. ‘Ik kom naar huis, jongen.’
De zorgrobot heeft zijn valies tot aan de wagen gedragen en hem daarna uitgewuifd. Opa beweert dat hij er triest uitzag.
De behandeling is van vorig jaar. Ze hadden hem op een lijst gezet zonder dat iemand het gevraagd had, zoals dat gaat. Je krijgt een bericht dat er iets hersteld is. Zijn heupen, zijn hart, het trage wegzakken van zijn hoofd: geregeld. Ze hebben zijn cellen teruggezet, naar ergens rond 1995. Hij is eenentachtig, zijn haar wordt weer grijs in plaats van wit, en hij fietst naar de bakker.
Het huis in Mariakerke staat al twee jaar leeg. Niemand had ooit luidop gezegd dat het voor mij zou zijn. Maar mama had het uitgerekend, en ik ook, en mijn tante ook, elk apart, elk met een beetje schaamte. Zo geraak je op mijn leeftijd nog aan een huis. Niet door te werken, want er is niets om voor te werken. Door te wachten tot er iemand sterft.
En er sterft niemand meer.
Opa doet de luiken open en zet de verwarming aan met de draaiknop. Hij gebruikt de lichtschakelaars. Hij heeft de assistent in de keuken afgezet omdat die een mening had over zijn boter. Zijn pensioen loopt gewoon door. Het is ooit uitgerekend op mensen die er tien jaar van zouden genieten. Het systeem heeft de nieuwe som al gemaakt. Geen mens wil het cijfer zien.
‘Ik heb er twintig jaar bij,’ zegt hij als ik help met de gordijnen. ‘Dertig misschien. Wat gaat gij doen met de uwe?’
Hij vraagt het echt. Hij heeft veertig jaar bij de haven gewerkt, een huis afbetaald, twee kinderen laten studeren. Hij kan zich geen leven voorstellen waarin je niets hoeft te verdienen. Ik kan mij geen ander voorstellen.
In mei dien ik een aanvraag in bij het Woonkrediet. Of beter: mijn agent dient ze in bij hun systeem. Ik krijg één woord terug. Niet gematcht.
Ik vertel het niet aan mama. Zij zal het dossier toch zien passeren, tussen de driehonderd andere van die dag.
III. Zomer
In juni komt het bericht van de belastingen. Het is één woord: Geregeld. Opa mist het klagen.
Op een dinsdag in juli komt mama thuis en zet haar tas niet neer.
‘Ik heb niet getekend,’ zegt ze.
Het was geen dossier. Het was een pakket: alle aanvragen van het tweede kwartaal van mensen onder de dertig zonder eigen kapitaal. Elfduizend stuks. Het systeem had ze allemaal afgewezen, met dezelfde conclusie. Kredietwaardigheid nul. Geen inkomen uit arbeid te verwachten, geen vermogen, geen erfenis binnen de looptijd.
‘Geen erfenis binnen de looptijd,’ zegt ze nog eens.
Ze heeft om uitleg gevraagd. Die kreeg ze, geduldig en helder, zoals altijd. De onderbouwing telde vierduizend pagina’s en het systeem vatte ze samen in vier zinnen. Ze begreep de vier zinnen. Ze was het ermee eens.
‘Het had gelijk,’ zegt ze. ‘Dat is het erge. Het had gewoon gelijk.’
En toch heeft ze haar pen neergelegd. Ze tekent al zes jaar dingen die ze niet kan nalezen. Dit was het eerste wat ze wel begreep.
Ze zegt niet dat mijn naam erbij stond. Ik zeg niet dat ik het weet.
Zonder handtekening is een beslissing niet rechtsgeldig. Dat staat in de wet op de menselijke eindverantwoordelijkheid, van 2030, het grote compromis van toen. Het systeem beslist, een mens tekent. Geen mens had voorzien wat er gebeurt als ze niet tekent. Het systeem wel. Het had haar weigering voorspeld, met vierennegentig procent zekerheid, en het persbericht stond al klaar.
Tegen vrijdag staan er eenenveertigduizend dossiers te wachten. Haar diensthoofd komt langs, een vriendelijke man die zelf ook alleen maar tekent. Hij vraagt of ze ziek is. Haar horloge heeft hem al laten weten van niet, maar hij vraagt het uit beleefdheid. Hij biedt haar zes terugbetaalde gesprekken met een mens aan.
Zaterdag is ze op het journaal van zeven uur. Niet met haar naam. Ze noemen haar een eindverantwoordelijke in Gent.
IV. Herfst
In september leggen ze overal de pen neer. Bij de ziekenfondsen, op de gemeentehuizen, bij de rechtbanken. De kranten noemen het de pennenstaking.
Het is de eerste staking waarbij niets stilvalt. De systemen beslissen voort, dag en nacht, foutloos. De fusiecentrale in Doel, die geen mens ontworpen heeft, levert stroom aan een land dat juridisch stilstaat. Alleen is niets ervan nog geldig. Huizen zijn verkocht en niet verkocht. Mensen zijn gescheiden en nog getrouwd. Mijn nonkel is drie weken lang tegelijk gepensioneerd en niet. Hij zegt dat hij het verschil niet merkt. De vakbonden weten drie weken lang niet of ze de staking moeten erkennen, want de stakers worden goed betaald en eisen niets. Ze willen alleen niet meer de enige zijn die ja moet zeggen.
Ik sta elke zaterdag op het Sint-Pietersplein, met duizenden anderen van mijn leeftijd. Wij hebben niets om neer te leggen. Dat is ons punt. Iemand heeft een spandoek gemaakt, met de hand, met een fout erin: Wij willen ook iets te verliezen hebben.
Het is de eerste keer dat ik ergens moet zijn.
Op een dinsdag in oktober valt het netwerk uit, zes uur lang, in heel Oost-Vlaanderen. Niemand weet of het ermee te maken heeft. De voordeuren gaan niet open, de wagens vertrekken niet, de brillen tonen geen namen meer. Bij ons staat de huishoudrobot stil met een half geplooide handdoek. Op de daken zitten de pakjesdrones te wachten, als duiven. De hele straat staat buiten. De buurman van nummer veertien blijkt Luc te heten.
Opa komt aangefietst, op een fiets zonder mening.
‘Wat willen jullie eigenlijk?’ vraagt hij. Hij kijkt naar de sticker op mijn jas.
‘Hetzelfde als gij gehad hebt.’
‘Ik heb daar veertig jaar voor gewerkt.’
‘Ik wil daar ook veertig jaar voor werken. Zeg mij waar.’
Hij zwijgt. Hij is niet kwaad en ik ook niet. Hij heeft niets gestolen. Hij is alleen blijven leven, in een huis dat van hem is, met een pensioen waar hij recht op heeft. Alles aan hem klopt. Het is de som die niet meer uitkomt.
‘Ik kan het huis op uw naam zetten,’ zegt hij na een tijd.
‘En dan? Dan woon ik in uw huis te wachten.’
‘Waarop?’
‘Dat is het juist.’
Om vier uur springt het netwerk weer aan. Iedereen gaat binnen.
V. December
Het akkoord komt er na elf weken, in de nacht, zoals het hoort. Ze noemen het het Meetekenakkoord. De tekst lag er al de eerste dag. Het systeem had hem in elf seconden geschreven. De onderhandelaars hadden elf weken nodig om er zelf op te komen.
Elke beslissing over iemand jonger dan dertig krijgt voortaan een tweede menselijke handtekening, van iemand jonger dan dertig. Dat zijn achtendertigduizend nieuwe jobs. Meetekenaars. Voltijds, geïndexeerd, met maaltijdcheques. Er hoort een opleiding van drie dagen bij. Dag één gaat over de pen. De vakbonden spreken van een historische doorbraak. De werkgevers spreken van een evenwichtig pakket. Alle partijen hebben gewonnen, en dat zeggen ze ook.
Aan de beslissingen zelf verandert niets. Het systeem had gelijk in juli en het heeft gelijk in december. Mijn kredietwaardigheid is nog altijd nul. Alleen staat er nu iemand van mijn leeftijd onder.
Mama tekent weer, sinds maandag. Ze heeft er niets over gezegd. De eenenveertigduizend dossiers waren op een voormiddag weggewerkt.
Ik begin op 2 januari. Ik heb gesolliciteerd, of mijn agent heeft dat gedaan, en deze keer kwam er wel iets terug. Gematcht. Ik ben de eerste van mijn jaar met werk. Mama heeft mij gefeliciteerd, met de stem waarmee mijn tante in januari mijn brief schoon vond.
Op kerstavond ga ik frieten halen bij Fatima. Zij heeft geen scherm en geen systeem, en de rij staat tot aan de hoek. Aan de overkant bakt een automaat in veertig seconden frieten die tot op de molecule juist zijn. Daar staat niemand. Ik betaal met het briefje van twintig dat opa mij in een envelop heeft gegeven.
‘En, Wout,’ zegt ze. ‘Wat doet ge nu van werk?’
Zij is de enige die dat nog vraagt.
‘Ik teken.’
‘Wat?’
‘Wat ze mij voorleggen.’
Ze knikt en schept er een schep bij. Dat doet ze al sinds ik zes ben. Geen enkel systeem heeft haar ooit gezegd dat het moest.
Thuis is de tafel gedekt. Mijn tante wil bomma aanzetten. Opa zegt dat het dit jaar niet hoeft. Hij is er zelf, zegt hij, dat moet volstaan.
Onder het eten trilt mijn bril, het derde bericht van de dag. Mijn aanvraag van mei is opnieuw behandeld, volgens de nieuwe procedure. Afgewezen. Meegetekend door een leeftijdsgenoot.
Onderaan staat één woord.
Geregeld.



