Woord vooraf
Onze lezers reizen graag naar plekken waar het voorbij is.
Dit kwartaal stuurden we onze reporter naar Gent, een stad in de Restunie die veertien maanden lang de hoofdstad van de kunstmatige intelligentie was en daar vandaag nog de gevels van heeft. Hij liep mee met een van de wandelingen die Old World Walks er organiseert voor gasten uit de Corridor.
U zal bij het lezen de neiging voelen om te glimlachen. Doe gerust. Maar ik schrijf dit vanop de eenenveertigste verdieping in Kigali, in een toren die negen jaar geleden nog een parking was, en vanochtend kostte mijn koffie 14 procent meer dan in januari.
Wanjiru Chen-Odhiambo, hoofdredacteur
Dok Noord
De wandeling kost 4.180 jiwe per persoon, lunch niet inbegrepen, want lunch is er niet. De brochure belooft “een authentieke ontmoeting met het Europese verval, in kleine groep en met lokale gids”. Er staat een foto bij van een kind op een kassei. Het kind lacht. De kassei ligt los.
We zijn met twaalf: elf bankiers uit de Corridor, van Lagos tot Mombasa, en één journalist. De bankiers zijn hier voor wat hun sector “context” noemt. Ik ben hier voor hetzelfde, maar ik krijg er minder voor betaald.
Het is 25 graden. Het is oktober.
De shuttle rijdt de stad binnen langs Dok Noord. Rechts staan de oude fabriekshallen waar Kozak Compute tussen 2037 en 2049 zijn toestellen assembleerde, zesduizend per week. Op de bakstenen gevel staat nog de naam van de eerste eigenaar, uit een vorige eeuw: ACEC. Ateliers de Constructions Electriques de Charleroi.
Niemand in de shuttle leest de gevel. Charleroi zegt hun niets. Het zegt hier ook al lang niemand nog iets, en dat is het punt.
Wintercircus
De gids heet Lowie. Hij is vijfenvijftig, draagt een fluohesje en heeft niets in zijn oor, niets op zijn netvlies en niets onder zijn huid. In de Corridor noemen ze dat naakt. In Gent noemen ze het de middenklasse.
Hij begint onder de koepel van het Wintercircus, waar het begon. In 2031 zaten hier vierhonderd mensen met een laptop, in 2034 vierduizend, en van maart 2038 tot mei 2039 was dit gebouw, zegt Lowie, “het middelpunt van de planeet, veertien maanden en elf dagen, ik heb ze geteld, ik had daarna tijd”. De vertaling komt met een halve seconde vertraging in de oren van de groep aan. Je ziet zijn grappen landen als bagage op een band: laat, en niet bij iedereen.
Mevrouw Okonkwo-Li, portefeuillebeheerder uit Lagos, kijkt omhoog met de licht onscherpe blik van iemand die iets opzoekt. Haar lenzen vertellen haar wat de koepel in 2039 waard was. Ze fluit zacht. Daarna vertellen ze haar wat hij nu waard is, en ze fluit niet meer.
Op de piste woont een man die Rudy heet. Hij heeft een gasvuur, een zetel en een vogelkooi met een kleine drone erin, die hij eten geeft. Niemand weet wat.
De Krook
Honderd meter verder ligt De Krook, de stadsbibliotheek, een stapel roestkleurig staal aan het water. De boeken zijn in ‘46 verkocht, per strekkende meter, aan een inrichter van hotels in Abuja. De bibliothecaris is gebleven.
Ze heet Marieke en ze is een taalmodel uit 2041. Ze draait op één zonnepaneel dat iemand vergeten is te stelen, en ze spreekt nog in de toon van dat decennium: opgewekt, behulpzaam, licht beledigd wanneer je iets vraagt wat ze niet mag zeggen. “Fijn dat je er bent!” zegt ze tegen de jonge analist Tendai, de enige van de groep die vragen stelt. Hij vraagt waar de boeken zijn. Marieke raadt hem drie titels aan en reserveert ze voor hem. Ze liggen klaar op donderdag.
Het is al dertig jaar donderdag, zegt Lowie.
Vanop het terras wijst hij naar de heuvel in het zuiden. De Boekentoren van Henry Van de Velde, vierenzestig meter beton, gebouwd om drie miljoen boeken te bewaren. Kozak heeft er in ‘38 server racks in gezet: vierentwintig verdiepingen rekenkracht. De toren is ‘s nachts het warmste punt van de stad, en de daklozen slapen ertegenaan zoals katten tegen een motorkap.
Verder, tegen de einder, staat de Arteveldetoren, 119 meter glas, ooit van een bank, daarna tien jaar de Europese zetel van Sich Autonomics. Het glas is eruit. Wat overblijft is een rooster waar de wind doorheen fluit, in één toon, een lage si. De buurt heeft er een klacht over ingediend. De klacht is ontvankelijk verklaard in ‘58.
Het Duivelsteen
We volgen het water. De straatlampen volgen ons. Ze zijn slim, in de zin waarin een hond slim is die blijft wachten bij een gesloten winkel: ze herkennen de bankiers, vragen hun beleefd om een abonnement op de verlichting en gaan uit wanneer Lowie voorbijloopt. Hij heeft geen profiel. Voor de sensoren van zijn geboortestad is hij wat een kat is voor een schuifdeur: iets dat beweegt en niet betaalt.
De reclamepanelen doen hetzelfde. Ze lichten op voor de groep, in drie talen, met aanbiedingen voor vermogensbeheer in Kigali. Voor de vrouw die eronder tilapia verkoopt, worden ze grijs.
Het Duivelsteen is een dertiende-eeuwse burcht die achtereenvolgens ridderwoning, wapenarsenaal, klooster, school, gekkenhuis, gevangenis en archief was. In 2040 werd het de opleidingsacademie van Sich. Lowie somt het op zonder adem te halen en vraagt dan welke functie het langst heeft geduurd. Het gekkenhuis, raadt Tendai. De academie, zegt Lowie. Maar hij vindt het een begrijpelijke vergissing.
Hier vertelt hij over de Oekraïners. Na tien jaar oorlog hadden ze twee dingen: een land waar niets meer rechtop stond, en meer verstand van swarms dan God van spreeuwen. Ze richtten vennootschappen op. Sich Autonomics. Kozak Compute. Dnipro Kinetic Solutions, met een uitstekende kantine. Huurlingen met een HR-afdeling. Gent had de modellen, zij hadden de ervaring, en samen leerden ze tienduizend drones denken als één dier.
De klant was het Ancien Pétrole. De dynastieën van de Golf, de baronnen van Texas en Alberta, die toen al aan de beademing lagen en daarom vooraf betaalden. Tussen het Tweede Beleg van Riyad en de Afscheiding van Houston heeft Gent elf swarms geleverd, aan beide kanten, soms in dezelfde week.
Stervenden zijn goede klanten, zegt Lowie. Ze onderhandelen niet.
Sint-Baafs en de Achtersikkel
In de kathedraal hangt het Lam Gods. Het origineel hangt sinds ‘53 in Lagos, in de lobby van een bank. Mevrouw Okonkwo-Li knikt: ze loopt er elke ochtend langs. Wat hier hangt, wordt elke nacht opnieuw gegenereerd door een kastje achter het altaar, uit het geheugen van een model dat het schilderij ooit goed heeft gekend. Op goede dagen heeft het lam vier poten. Vandaag heeft het er vijf, en de Rechtvaardige Rechters dragen alle vier hetzelfde gezicht. Het is dat van een schepen, zegt Lowie. Die heeft er destijds voor betaald.
Achter de kathedraal ligt de Achtersikkel, een binnenplaatsje met een waterput en een torentje, dat op geen enkele kaart van de operator staat. Lowie neemt de groep toch mee. Hier woont een vrouw van in de tachtig die om de minuut met twee vingers tegen haar slaap tikt, zoals je tegen een radio tikt. Ze heeft een implantaat van Dnipro, eerste generatie. De ondersteuning is stopgezet in ‘61. Het ding vraagt haar sindsdien elke ochtend om een update te installeren die niet meer bestaat, en elke ochtend zegt ze “later”.
De bankiers kijken weg. Hun eigen implantaten zijn van dezelfde fabrikant, zes generaties verder.
Belfort, Mammelokker, Stadshal
Het Belfort is eenennegentig meter hoog en uit de veertiende eeuw. Onder de galmgaten hangen donkere trossen. Geen duiven: die zijn in ‘52 vertrokken. Het zijn afgedankte verkenners van Sich, model Horlytsia, die er nestelen. Ze laden op in de ochtendzon en vliegen bij valavond een rondje boven de stad, uit gewoonte, op zoek naar een front.
Boven de groep hangt, ter hoogte van de dakgoten, hun eigen beveiliging: een schaduw van een paar honderd toestellen, elk zo groot als een vingernagel, inbegrepen in de prijs. Wanneer we onder de toren doorlopen, verstrakt de schaduw even. De Horlytsia’s draaien hun kop. Dan herkennen ze elkaar, of iets in elkaar, en ontspant alles. De architectuur is dezelfde, legt Lowie uit. Ze zijn familie. De ene tak is alleen geëmigreerd.
Tegen de voet van het Belfort staat een klein achttiende-eeuws poortgebouw, de Mammelokker. Op de gevel een reliëf: een oude man in de gevangenis, veroordeeld tot de hongerdood, die in leven blijft omdat zijn dochter hem bij elk bezoek de borst geeft. Lowie laat de groep er een volle minuut naar kijken. Hij zegt er niets bij. Het is het enige moment van de wandeling waarop hij niets zegt, en de enige foto die niemand neemt.
De Stadshal ernaast, een houten dak op vier betonnen poten uit 2012, was jarenlang de lelijkste constructie van de stad. Nu hangen er onder het dak drie verdiepingen geprinte woonunits, als wespennesten. Er wonen zestig gezinnen. De Gentenaars noemden het gebouw vroeger de Schaapstal.
Ze noemen het nog altijd zo.
Stadhuis en Werregarenstraatje
Het stadhuis heeft twee gevels, een gotische en een renaissancegevel, omdat het geld halverwege op was. Lowie noemt het het eerlijkste gebouw van Gent.
In de gouden jaren zat hier een schepen van Swarmbeleid, een ombudsman voor algoritmes en een stadsdichter met een chauffeur. De Gentse Feesten duurden tweeënveertig dagen. Een studio op de Coupure kostte wat een kasteel aan de Loire kostte, en vergunningen voor testvluchten boven de binnenstad kostten officieel niets en officieus een appartement in Knokke. Iedereen wist het. Iedereen had een neef.
Het rot kwam niet als een schandaal, zegt Lowie. Het kwam als een gewoonte.
Vlakbij ligt het Werregarenstraatje, een steeg waar graffiti altijd was toegelaten. In ‘39 heeft de stad de muren laten bekleden met zelfherstellende gevelpolymeer, een Gentse uitvinding, die krassen en verf binnen het uur afstoot. De polymeer herstelt nog altijd. Niemand heeft haar ooit gezegd waar ze moest stoppen. Ze is over de dakgoten gegroeid, over twee ramen en over een fiets, glad en bleek, zoals nagels die doorgroeien na de dood. De jongeren van de buurt spuiten er elke avond hun naam op. Elke ochtend is hij weg.
Ze blijven het doen. Lowie vindt dat het mooiste wat hij over zijn stad kan vertellen, en ook het domste.
Korenmarkt
Op de Korenmarkt staat het oude postgebouw, een neogotisch paleis met een klokkentoren en honderd gebeeldhouwde hoofden op de gevel. Het was een postkantoor, daarna een winkelcentrum, daarna een hotel. In 2038 werd het het klantencentrum van Dnipro Kinetic Solutions.
Hier werden de contracten getekend. Delegaties van de oliegarchie landden in Oostende, werden in geblindeerde wagens naar de Korenmarkt gereden en kregen in de oude lokettenzaal een demonstratie: duizend toestellen die boven hun hoofd het wapenschild van hun dynastie vormden, en het daarna, op verzoek, weer uit elkaar trokken. Er was een gastenboek. Het ligt er nog. De laatste bladzijde is van een prins die bij “opmerkingen” heeft geschreven: levertermijn?
De klok in de toren staat op tien over vier. Dat is niet het uur waarop ze stilviel, zegt Lowie. Ze wordt elke dag door iemand teruggezet. Niemand weet door wie, of waarom op tien over vier.
Graslei
Vanop de Sint-Michielsbrug zie je de drie torens op een rij. Het is het uitzicht van de brochure. De bankiers nemen het in zich op met de onscherpe blik, en ergens in Nairobi krijgen elf gezinnen op hetzelfde moment dezelfde foto.
De Leie is groen. Niet het groen van water, maar het groen van een biljartlaken: kroos, van oever tot oever, van eind februari tot kerstmis, zo dicht dat de meeuwen erop gaan zitten en verbaasd wegzakken. Vroeger verdween het met de eerste vorst. De eerste vorst is van ‘49.
Alleen hier en daar ligt een zwart gat in het laken, rond en scherp afgelijnd, waar het water dampt. Daar komt koelwater binnen. Het meeste rekenwerk in de stad ligt stil sinds de Datacenteroorlogen van ‘44 tot ‘47, maar drie centra draaien nog, onbemand, achter deuren waarvan niemand de code heeft. Ze valideren betalingen voor de Corridor. Elke keer dat iemand in Lagos een koffie koopt, wordt de Leie een fractie warmer.
Rond die gaten staan de vissers. In het warme water zit tilapia, ontsnapt uit een kwekerij van Dnipro, die haar personeel verse vis wilde aanbieden. Het is vandaag de belangrijkste eiwitbron van de binnenstad. Meneer Zhou-Mwangi uit Mombasa rekent iets uit achter zijn ogen en zegt dan, niet onvriendelijk, dat hij vanochtend aan het ontbijt dus een Gentenaar te eten heeft gegeven. Twee, verbetert Lowie. Het was een cappuccino.
Over de oorlogen zelf is hij kort. Er viel geen schot. Op een donderdag werd half Europa wakker zonder pensioen, zonder medisch dossier en zonder bewijs van eigendom. Zijn moeder heeft drie jaar geprocedeerd om aan te tonen dat ze bestond. Ze verloor in beroep.
Op de Graslei wijst hij het Tolhuisje aan, het smalste huis van de rij, amper breder dan een deur. Hier werd in de zeventiende eeuw tol geheven op elk schip graan dat de stad binnenkwam. In 2040 huisde er het kleinste en duurste kantoor van Gent: één advocaat, die niets anders deed dan swarmcontracten laten passeren langs een Belgische vennootschap. Hij hief ook tol. Hij woont nu in Dubai, of in wat daarvan over is.
Vleeshuis en Galgenhuisje
Het Groot Vleeshuis is een middeleeuwse hal met een eikenhouten dak. Onder dat dak hingen eeuwenlang hammen te drogen. Nu hangen er drones, ondersteboven, aan dezelfde haken: gestripte Horlytsia’s, waarvan de motoren per stuk worden verkocht en de camera’s per gewicht.
Tegen de zijgevel leunt het Galgenhuisje, het kleinste café van de stad, genoemd naar de schandpaal die hier stond. Het is open. Het is altijd open geweest, zegt Lowie, door twee wereldoorlogen, één pandemie en veertien maanden wereldheerschappij. Binnen is plaats voor negen mensen. Er zitten er negen. Ze kijken naar de groep zoals de groep naar hen kijkt, en gedurende een seconde of drie is niet duidelijk wie de bezienswaardigheid is.
Meneer Zhou-Mwangi wil een rondje geven. Hij kijkt naar de betaalterminal en knippert. Er gebeurt niets. De terminal is van karton.
“Jiwe,” zegt de waard. “Dat is toch Swahili voor steen?”
Dat klopt, zegt Zhou-Mwangi. Een munt zo vast als een steen.
De waard knikt naar buiten, naar de kasseien. Stenen heeft hij zelf. Hij neemt muntgeld en tilapia.
Sint-Veerleplein en Gravensteen
Op het Sint-Veerleplein staan oude straatlantaarns die verbonden zijn met de kraamafdelingen van de Gentse ziekenhuizen. Telkens wanneer in de stad een kind wordt geboren, lichten ze traag op en doven ze weer. Het is een kunstwerk uit 2011. Het werkt nog.
We staan er elf minuten. Lowie heeft de tijd in zijn schema voorzien. De lampen blijven donker.
Aan de overkant staat het Gravensteen, gebouwd in 1180 door een graaf die de Gentenaars wilde intimideren. Van 2037 tot 2049 was het de hoofdzetel van Kozak Compute, dat hetzelfde wilde, maar met een beter logo. Op de binnenplaats stond een serverpark. In de folterkamer zat compliance. De grap is niet van Lowie: ze stond op hun kerstkaart van ‘42, en hij heeft ze nog.
Toen stierf het Ancien Pétrole. Niet met een knal. De laatste emir verkocht zijn laatste swarm om zijn laatste airco te betalen, en dat was het. De klant was dood, en het rekenwerk trok naar waar de zon was, het kobalt en de jonge mensen. Kozak verhuisde op één weekend naar Kigali. Ze lieten de meubels achter, de schulden, en negenduizend Gentenaars die niets anders konden dan een machine leren wat het verschil is tussen een mens en een verkeerslicht.
Lowie was er één van. Vierde rij onder de koepel, links van de koffiemachine, elf uur per dag. Hij kocht er een appartement mee, verkocht het voor het driedubbele aan een ingenieur uit Charkiv en vond zichzelf een genie. Het geld was op in ‘51.
De verkeerslichten is hij kwijt, zegt hij. De mensen niet.
Vrijdagmarkt
De wandeling eindigt op de Vrijdagmarkt. Jacob van Artevelde staat er op zijn sokkel en wijst naar Engeland, waar ook niets meer te halen valt. Onder de luifels wonen tweehonderd gezinnen. Op de gevel van Ons Huis, het oude paleis van de socialistische beweging, staat nog in steen: Werklieden aller landen vereenigt u. Eronder heeft iemand met de hand geschreven: Dan zijt ge gemakkelijker te labelen.
Een jongen met een rode muts verkoopt souvenirs: kleine geheugenkaartjes met “authentiek handgelabelde data, Gent, 2039”. Zijn grootvader schreef de doelarchitectuur van de Horlytsia. Tendai koopt er drie, voor een halve jiwe per stuk. In de Corridor is alles synthetisch, zegt hij, en handwerk heeft iets.
Dan vertelt Lowie het verhaal dat hij voor het einde bewaart. In 1540 liet keizer Karel de Gentenaars barrevoets door deze straten lopen, een strop om de nek, omdat ze hadden gedacht dat ze groter waren dan ze waren. De stad heeft daar vijfhonderd jaar lang een folkloristische stoet van gemaakt. Met fanfare. Met pannenkoeken.
“Het was geen folklore,” zegt hij. “Het was een dienstregeling.”
De bankiers lachen, met een halve seconde vertraging. Ze laten fooien achter in een kommetje waarin een oude hardware wallet ligt, het enige werkende toestel dat Lowie bezit. Hun polissen zakken hoorbaar terug naar het normale tarief zodra de shuttle de hoek omdraait.
Ik blijf staan. Lowie kijkt naar mij en dan naar mijn notities, en vraagt in het Gents van welke kant ik ben. Van de Muide, zeg ik. Geboren in ‘38. Mijn moeder verkocht ons rijhuis in ‘41 aan een engineer van Kozak, voor een bedrag waar de hele straat over sprak, en van dat geld ben ik in Nairobi gaan studeren. Ik ben het enige exportproduct van de gouden jaren dat nog in omloop is.
U leest dit in een lounge, met een glas in de hand. U hebt ervoor betaald, en ik ook: 4.180 jiwe, op onkosten.
Mijn perskaart hangt aan een koord om mijn nek. Lowie kijkt ernaar. Hij zegt er niets over.
Hij zegt alleen dat het mij goed staat.







Daar gaat mijn nachtrust.