Twee weken geleden was er weer een Apple Event. De iPhone 18, nieuwe AirPods, en natuurlijk de Duo, de opvouwbare iPhone waar iedereen het over had. Voor mij was dat niet het belangrijkste. Wat mij het meest trof, kwam eerder in de keynote voorbij en kreeg minder applaus: de Apple Watch die vanaf nu meeluistert met je gesprekken.
Apple noemt het Audio Intelligence. Live Rewind laat je vijftien seconden terugspoelen als je iets gemist hebt. Siri Recap luistert ambient mee en maakt een samenvatting van je meeting of je oudercontact. Voor de meeste kijkers was dat een handigheidje. Voor mij was het de bevestiging van iets wat ik op 13 september 2017 in De Tijd schreef, en waar ik met de bescheidenheid van iemand die zijn eigen opiniestukken herleest toch even op wil terugkomen.
De lichaamscomputer
Mijn stelling toen: de smartphone verdwijnt niet, maar explodeert. Zoals de pc ooit uiteenviel in scherm, toetsenbord en muis, valt de smartphone uiteen in een hub die in je broekzak blijft en input/output die zich over je lichaam verspreidt: een horloge, oortjes, een bril. Ik noemde het de lichaamscomputer, wat achteraf bekeken klinkt als een Duitse film uit 1983.
Negen jaar later heeft de Apple Watch een eigen simkaart, eigen sensoren en nu dus ook oren. De AirPods vertalen live. Vision Pro is de veel te dure prototypebril die niemand koopt maar waar iedereen van geleerd heeft. En de iPhone schuift onopvallend op van scherm naar hub: de nieuwe Watch-functies werken enkel als er een iPhone 16 of nieuwer in de buurt is. De pols capteert, de broekzak rekent.
Dat is de explosie. Alleen is het geen knal, maar een slow-motionopname van een knal. Apple bouwt de lichaamscomputer stuk voor stuk, en elk stuk moet op zichzelf verkoopbaar zijn. Een horloge dat alleen nuttig is als onderdeel van een groter geheel, verkoopt niet. Een horloge dat je stappen telt en toevallig ook een sensor is voor het geheel, wel.
Waarom net nu
Wat mij aan Audio Intelligence het meest opvalt, is niet de technologie. Die bestaat al jaren. Wat opvalt is de timing, en die zegt iets over hoe goed Apple de tijdsgeest leest.
Een device dat meeluistert en samenvat, was tot voor kort sociaal onmogelijk. Google Glass ging in 2013 ten onder aan precies dat: de drager werd een “glasshole”, een potentiële spion in elk gesprek. Maar kijk wat er intussen in het bedrijfsleven gebeurd is. In zowat elke Teams- of Zoom-meeting zit tegenwoordig een AI-notulist die alles transcribeert en samenvat. Otter, Fireflies, de ingebouwde Copilot: het is normaal geworden dat er een derde partij meeluistert. Niemand vraagt nog of het mag. Het is te handig om nog tegen te zijn, en wie in een meeting zegt “mag die AI eruit”, is de vreemde eend.
Apple ziet dat, en trekt de conclusie: wat in de vergaderzaal aanvaard is, kan nu ook aan je pols. De gewenning is al gebeurd, alleen niet door Apple. Ze hoeven enkel nog de hardware te leveren.
Dat patroon hebben we al eens gezien. De eerste gsm’s van eind jaren 80, begin jaren 90 waren bakstenen die je met twee handen moest vasthouden, en wie ermee op straat liep was per definitie een patser. Sociaal onmogelijk. Tot het in het bedrijfsleven te handig bleek om te weigeren: de vertegenwoordiger, de dokter van wacht, de aannemer op de werf. Eens het daar normaal was, sloeg het over naar het privéleven, en tien jaar later belde je moeder je vanuit de Delhaize om te vragen of je nog melk nodig had. Het bedrijfsleven is de sluis waarlangs ongemakkelijke technologie het dagelijkse leven binnenkomt, omdat gemak daar sneller wint van etiquette.
Audio Intelligence volgt exact die route. De transcriptietools hebben de sluis opengezet. Apple vaart erdoor.
Wat ik fout had
Ik dacht in 2017 dat Apple zich met zijn privacystandpunt in de voet schoot: AI draait op data, Apple gebruikt de data van zijn klanten niet, dus Apple zou achterlopen. Dat klopte ook, een tijdlang. Siri was jarenlang het slechtste product in de catalogus. Maar Apple heeft een andere oplossing gevonden dan ik verwachtte. Niet zelf de data verzamelen, maar de hardware zo bouwen dat de data niet eens bestaat: alles wordt verwerkt in een hardware-geïsoleerde chip-zone, er wordt nooit een audiobestand opgeslagen, en Apple zegt zelf de ruwe audio niet te kunnen lezen. Ze verkopen de zintuigen, niet wat de zintuigen horen.
Ik sloot mijn stuk in 2017 af met de zin dat Apple enkel nog zijn dataprobleem voor AI moest oplossen. Ik dacht dat ze dat zouden doen door meer data te verzamelen. Het lijkt erop dat ze het oplossen door het model van iemand anders te huren en zelf de deur te blijven bewaken. Interessanter dan ik voor mogelijk hield. Ook fragieler.
Eerst horen, dan kijken
De echte betekenis van dit event zit dus niet in de Duo, hoe mooi ook. Ze zit in het moment waarop de Apple Watch stopte met een sensor voor je lichaam te zijn en een sensor voor je omgeving werd. Vanaf nu meet het niet alleen jou, maar ook de wereld rond jou.
En let op de volgorde. Apple laat de lichaamscomputer eerst horen, pas later kijken. Een microfoon aan je pols is vandaag aanvaardbaar, een camera op je gezicht nog niet. Maar de sluis werkt in twee richtingen: zodra “mijn horloge vat mijn meeting samen” normaal is, wordt “mijn bril onthoudt wie ik net ontmoet heb” de logische volgende stap. De bril komt niet als schok, maar als kleine update van iets wat je al jaren draagt.
Zo ben ik intussen ook over mijn eigen stuk gaan denken. De smartphone explodeert, maar niet met een knal. Hij explodeert zoals de baksteen-gsm van 1992 in de vertegenwoordigersauto: eerst belachelijk, dan handig, dan onzichtbaar. Ergens rond 2035 zal iemand zich hardop afvragen wanneer we eigenlijk beslist hebben dat onze devices alles mogen meeluisteren en meekijken. Het antwoord is: nooit. We hebben het gewoon te handig gevonden om nog nee te zeggen.
Dat schreef ik in 2017 niet. Maar ik schrijf het nu, zodat ik het in 2035 kan herlezen.





