I. Januari
Ik heb mijn eerste muur zelf gemetst. Hij staat scheef.
Iedereen gelooft het meteen.
‘Dat is met de hand gedaan,’ zegt Marcel, en hij bedoelt het niet als compliment. Marcel is zesentachtig. Hij is metser op rust sinds 2005 en sinds vorig jaar niet meer op rust. Ze hebben zijn knieën teruggezet. Zijn geduld zijn ze vergeten, zegt hij.
De muur is een meter hoog en staat achteraan in de Kastanjestraat, tegen de serre. Hij dient nergens voor. Het was een oefening.
We staan met de hele straat rond een vuurkorf, voor de nieuwjaarsreceptie. De straat is in 2031 onthard. Waar de auto’s stonden, staan nu perenbomen, want niemand heeft nog een auto en de stad wist niet wat ze anders met de plaats moest doen. Op elk dak ligt zonnefolie. De wijk maakt meer stroom dan ze opkrijgt. Met de rest verwarmen we de serre op het dak van de oude spinnerij, waar Godelieve van nummer twaalf in januari tomaten heeft.
Mijn moeder heeft de frituur op de hoek. Ze heeft geen scherm en geen systeem, en ze vindt dat ik te veel buiten ben.
Ik ben twintig. Ik was elf toen niemand nog juniors aannam, en ik herinner mij dat ik dacht: dan moet ik dat ook niet worden. Ik ben niet gematcht en ik heb het nooit gevraagd. Ik krijg mijn dividend, zoals iedereen, via het ziekenfonds. Vorig jaar heb ik leren lassen, enten en een dakconstructie berekenen. Het systeem is de geduldigste leraar die ooit bestaan heeft. Het wordt nooit kwaad en het is nooit onder de indruk. Voor dat laatste heb ik Marcel.
‘En, Noor,’ vraagt de buurvrouw van nummer acht. ‘Waar zijt ge nu mee bezig?’
Bij ons is dat geen beleefdheid. Ze wil het weten, want misschien heeft ze iemand nodig.
‘Met de parking,’ zeg ik.
Achter de oude supermarkt ligt drieduizend vierkante meter asfalt, sinds niemand nog naar de winkel rijdt. We willen er twaalf huizen op zetten, voor de twaalf van ons die nog thuis wonen en nergens op kunnen wachten.
Marcel kijkt naar mijn muur.
‘Twaalf huizen,’ zegt hij. ‘Het zal schoon zijn.’
II. Lente
Het systeem tekent de huizen in één nacht. Het geeft ons vierduizend varianten en raadt nummer zeventien aan. We kiezen nummer drieëntwintig, omdat daar een bank voor de deur staat en Marcel vindt dat een huis zonder bank geen huis is. Het systeem past de berekening aan en zegt niets. Het zegt nooit iets.
De grond is van de stad. We krijgen hem in erfpacht, voor negenennegentig jaar. Godelieve vraagt of dat wel genoeg is, nu ze van plan is honderddertig te worden.
Niemand wordt eigenaar. De notaris laat ons dat drie keer herhalen. Hij is de enige in de zaal die er triest van wordt.
In april dienen we de bouwaanvraag in. De termijn is acht maanden. De bouw zelf duurt elf dagen, zegt het systeem. Er zijn dingen die niemand heeft durven veranderen.
De helft van de straat is ouder dan tachtig. Ze zijn de enigen die nog weten hoe iets moet zonder dat iemand het voorzegt. Vroeger hadden ze de tijd en niet het lijf. Nu hebben ze allebei.
‘Ik heb er dertig jaar bij gekregen,’ zegt Marcel, terwijl hij mijn voegen uitkrabt. ‘Ik ga die niet in mijne zetel uitzitten.’
Hij leert mij een draad spannen. Godelieve, die vroedvrouw was, leert mij tomaten dieven. Het systeem zegt haar elke ochtend wanneer ze water moet geven. Ze doet het een uur later, uit principe. De tomaten merken het verschil niet.
In mei zwemmen we in de Leie. Het water is proper sinds 2034, het jaar dat de wiskunde af was. Iets heeft toen ook uitgerekend hoeveel riet en hoeveel mosselen daarvoor nodig waren. Op de oever staan de kinderen van de straat in de rij voor de springplank.
Marcel zwemt niet. Hij heeft de Leie nog gekend, zegt hij.
III. Zomer
Het systeem heeft onze aanvraag op de eerste dag goedgekeurd. Sindsdien ligt ze te wachten op een handtekening.
In juli tekent er niemand meer.
We zien het bij Godelieve, op het journaal van zeven uur. Een eindverantwoordelijke in Gent heeft haar pen neergelegd. Tegen september doen ze het overal, en de kranten noemen het de pennenstaking. Onze twaalf huizen zijn goedgekeurd en niet goedgekeurd.
Ik begrijp die vrouw. Ze wil niet de enige zijn die ja moet zeggen. Wij hebben het omgekeerde probleem. Wij zoeken iemand die ja wil zeggen.
We vergaderen onder de perenbomen. De metselrobot van de stad is vrij in september en daarna pas in maart. Hij is van iedereen en dus altijd bij iemand anders.
‘In mijnen tijd bouwden we eerst,’ zegt Marcel. ‘En dan vroegen we het.’
‘Half Vlaanderen staat er zonder vergunning,’ zegt Godelieve. ‘Het staat er nog.’
Iemand vraagt wat het systeem ervan vindt. Het vindt dat de huizen veilig zijn, dat de grond geschikt is en dat het over de wet geen mening heeft. Dat is het langste wat het ooit tegen ons gezegd heeft.
We stemmen. De stemming duurt korter dan de vraag.
Die avond eten we met de hele straat aan één tafel, veertig meter lang, tussen de bomen. Er zijn tomaten van het dak, brood uit de oven van nummer vier en frieten van mijn moeder. Er is ook rollade uit een vat in Aalst, die niemand heeft meegebracht en die toch op is.
Boven de daken trekken de plantdrones naar het Bourgoyen, in een V, zoals ganzen. Ze zaaien daar wat er honderd jaar geleden stond. Niemand kijkt nog op.
IV. Herfst
De robot zet een huis per dag. De eerste rij stenen leggen we zelf, dat is afgesproken. De stenen komen van de afgebroken supermarkt. De balken zijn niet gezaagd maar gegroeid, in een loods in Evergem, en ze zijn sterker dan eik.
Mijn rij staat scheef. Marcel laat ze liggen.
‘Dan weten ze later wie het gedaan heeft,’ zegt hij.
De robot metselt erop voort, zonder commentaar. Hij verbetert twee millimeter per laag. Op de derde meter staat mijn huis weer recht.
Elke zaterdag staan ze op het Sint-Pietersplein, duizenden van mijn leeftijd. Ik ken er de helft van. Ze hebben een spandoek: Wij willen ook iets te verliezen hebben. Op een zaterdag breng ik hun frieten en zeg ik dat wij handen tekortkomen. Twee gaan er mee. De rest zegt dat het daar niet over gaat.
Misschien hebben ze gelijk. Wij hebben nu twaalf huizen te verliezen, en geen vergunning.
Op een dinsdag in oktober valt het netwerk uit, zes uur lang. In de rest van de stad gaan de voordeuren niet open. Bij ons merkt bijna niemand het. De wijk draait op haar eigen daken, en de deuren hebben hier nog een sleutel, een eis van Godelieve. Alleen de robot staat stil, met een steen in zijn grijper.
Marcel neemt de steen over.
Tegen de middag komt de halve stad naar onze straat, want mijn moeder bakt gewoon voort. Mensen die elkaar nooit gezien hebben, staan in de rij en vragen elkaars naam. Een man uit een straat verderop helpt drie uur mee stenen aangeven. Hij heet Luc.
Om vier uur springt het netwerk weer aan.
Bij ons blijft iedereen buiten.
V. December
In november staan de huizen onder dak. Op elk dak groeit sedum, met zonnefolie ertussen. De ramen maken stroom. Voor elke deur staat een bank.
Er komt een ambtenaar van de stad kijken, een vriendelijke vrouw met een bril die alles opmeet. Ze zegt dat het niet mag. Daarna vraagt ze of er nog een vrij is.
In december komt het Meetekenakkoord, na elf weken, in de nacht. Voor ons betekent het dat onze regularisatie voortaan twee handtekeningen nodig heeft in plaats van één. Marcel noemt dat vooruitgang.
Ik verhuis op de twintigste, naar nummer drie, het huis met de scheve eerste rij. Het is van niemand en ik woon er. Mijn moeder komt kijken en zegt dat het koud is. Het is er eenentwintig graden. Ze brengt toch een deken mee.
Op kerstavond help ik in de frituur. De rij staat tot aan de hoek. Aan de overkant staat de automaat, die tot op de molecule juiste frieten bakt. Mijn moeder groet hem elke ochtend. Hij groet niet terug, daar is hij te goed voor opgevoed.
Er staat een jongen uit mijn jaar in de rij. Wout. Hij betaalt met een briefje van twintig.
‘En, Wout,’ zegt mijn moeder. ‘Wat doet ge nu van werk?’
‘Ik teken.’
‘Wat?’
‘Wat ze mij voorleggen.’
Ze knikt en schept er een schep bij. Ik sta aan de ketel.
‘Meetekenaar?’ vraag ik.
‘Vanaf de tweede.’
‘Dan krijgt ge misschien ons dossier. Twaalf huizen.’
‘Die moeten nog gebouwd worden?’
‘Ze staan er al.’
Hij kijkt naar zijn frieten.
‘En als het systeem zegt van niet?’
‘Het systeem zegt van wel. Al sinds april. Het wacht op iemand.’
Hij zegt niet dat hij het zal doen. Hij vraagt waar het is.
‘Kastanjestraat. Zaterdag om acht uur. Breng handschoenen mee.’
‘Waarvoor? Ze staan er toch al?’
‘Er is altijd iets.’
Achter hem wordt de rij ongeduldig.
‘Noor,’ zegt mijn moeder. ‘De frieten.’
‘Bezig.’



