Als het goed is, bellen ze.
Dat weet iedereen. Dat weet ik ook. Een secretaresse belt, zegt dat alles in orde is, wenst nog een prettige voormiddag en je staat daar met een telefoon in je hand en een dag die je plots cadeau krijgt.
Ze hebben niet gebeld. Ze hebben een afspraak gemaakt. “Om te bespreken,” zei ze.
Ik heb dat woord sindsdien een week lang binnenstebuiten gekeerd. Het is niet beter geworden.
Thuis heb ik gezegd dat ik een afspraak had. Dat is waar. Een mens moet niet alles zeggen wat waar is.
De wachtzaal is dezelfde als twee weken geleden. Acht stoelen, blauw. Een tafel met tijdschriften waarvan de hoeken opkrullen. Een plant die het waarschijnlijk ook niet goed stelt. Een klok, hoog en schuin links, zodat je moet draaien om ze te zien, en dus iedereen ziet dat je ze bekijkt.
De deur van de dokter zit tegenover de ingang. Je ziet iedereen binnengaan. Je ziet niemand buitenkomen; daarvoor is er een andere gang.
Ik zou dat ook zo gedaan hebben. Dat is geen toeval.
Aan de balie moest ik een blad invullen. Mijn dossier zat nog in de oude praktijk, zei de vrouw, en dan is het makkelijker voor iedereen.
Naam. Adres. Geboortedatum. Dat ging vlot, dat is al jaren hetzelfde.
Dan: huisarts. Dan: contactpersoon in geval van nood.
Ik heb de naam van mijn vrouw geschreven. Daarna moest ik haar nummer opzoeken op mijn telefoon. Dertig jaar. Ik ken het nummer van de parking onder het kantoor uit mijn hoofd.
Dat vond ik erger dan alles wat achter die deur kan zitten. Een tijdje toch.
Onderaan: handtekening. Ik heb die van het kantoor gezet. De grote, met de lus.
Daarna dacht ik dat ik hier misschien een kleinere had moeten gebruiken.
De deur is wit, met een klink die naar beneden hangt. Ze gaat open, er komt een jonge vrouw in het blauw naar buiten, ze zegt een naam, iemand staat op, de deur gaat dicht.
Het is niet mijn naam.
Dat is goed. Dat is ook niet goed. Ik wil het weten en ik wil het niet weten, en de deur beslist voor mij. Ze beslist telkens: nog niet.
Tegenover mij zit een vrouw van mijn leeftijd met haar dochter. De dochter doet alles. Ze heeft de formulieren ingevuld, ze heeft de jas, ze heeft aan de balie gevraagd hoe lang het nog zou duren. Ze heeft een mapje mee. Een echt mapje, met een elastiek.
Ik kijk ernaar als naar een goede offerte van een concurrent. De moeder kijkt alsof haar dochter net perfect geparkeerd heeft.
Verder zit er enkel nog een oudere man, alleen, met een pet op zijn knie. Hij zit zoals iemand die hier elke week komt. Misschien is dat ook zo.
“Ze zijn weer laat vandaag,” zegt hij.
“Ja,” zeg ik.
Hij knikt. We delen nu iets.
Ik heb mijn agenda mee. Uit gewoonte, zoals mijn autosleutels. Ik blader naar volgende week. Alles staat vol. Dinsdag een lunch, woensdag een raad van bestuur, donderdag iets in Brussel waar ik al drie keer naar heb uitgekeken.
Ik kijk ernaar als naar het huis van iemand anders. Mooi gelegen. Goed onderhouden.
De deur gaat open. Een naam. De moeder en de dochter staan op. De dochter neemt de jas en het mapje.
Het is nu stil in de wachtzaal, op de man met de pet na, die niets zegt, wat ook een geluid is.
Ik maak een lijst. Dat kan ik. Wie ik moet verwittigen, in welke volgorde. Mijn vrouw. De kinderen, maar niet aan de telefoon. Mijn vennoten, maar pas als ik weet hoelang. De klant van donderdag, die kan wachten, die wacht al drie maanden.
Dan maak ik de andere lijst. Wie ik moet verwittigen als het goed is.
Daar staat niemand op.
Ik heb daar een tijdje naar zitten kijken.
Ik bereken hoe oud ik ben. Dat weet ik, maar ik bereken het toch. Dan hoe oud mijn vader is geworden. Dan het verschil. Ik doe het nog een keer, alsof de eerste keer verkeerd kon zijn.
Het was niet verkeerd.
Ik heb honger. Dat vind ik ongepast van mezelf.
Mijn telefoon trilt. “Waar ben je?”
“Bijna klaar,” typ ik.
Dat is ook een soort waarheid. Alles is bijna klaar, ergens.
Ik neem een tijdschrift. Een reportage over een man die op zijn zestigste een camping is begonnen in de Ardennen. Hij staat op een foto naast een sanitair blok, in een fleece, en hij lacht alsof hij niet weet dat er een fotograaf is.
Ik lees het uit. Ik weet nu hoeveel douches je nodig hebt per vijftig plaatsen. Ik weet dat je in de Ardennen best een vergunning hebt voor je begint, en niet erna.
Van deze hele voormiddag zal ik later alleen dat nog weten. De douches. Ik voel dat nu al.
De deur gaat open. De man met de pet staat op. Hij neemt zijn pet in zijn hand, niet op zijn hoofd. Aan de deur draait hij zich om.
“Tot de volgende.”
Ik weet niet of hij dat tegen mij zegt.
Nu ben ik alleen.
Ik heb intussen bedacht wat ik zal zeggen als het slecht is. Ik ben uitgekomen bij: “Goed. En wat nu?”
Het is een zakelijke zin. Ze toont dat je het begrepen hebt en dat je bereid bent verder te gaan. Ik heb ze in vergaderingen gebruikt, bij dingen die ook slecht waren, maar op een andere manier.
Ik was er een beetje trots op. Daarna heb ik mij daarvoor geschaamd. Daarna heb ik ze nog eens geoefend, zonder geluid, voor het geval.
Ik heb ook bedacht wat ik zal zeggen als het goed is. Daar ben ik niet uitgekomen.
Ik moet naar het toilet. Het is daar, links, met een bordje. Ik ga niet. Iedereen die ooit heeft gewacht, weet dat de deur opengaat op het moment dat je de kraan opendraait. Ik ken de statistiek niet, maar ik voel dat ze bestaat.
Ik blijf zitten en kijk niet naar de klok, want daarvoor moet ik draaien, en er is niemand meer die dat ziet.
Ik kijk toch.
Ik denk aan het woord. Ik denk er niet aan. Het is een woord waar je kunt omheen denken zoals je om een put rijdt in de straat waar je woont: je weet precies waar die ligt, en net daarom raak je het nooit.
Ik heb het in twee weken niet één keer geraakt. Ik ben er zelfs een beetje trots op.
Dat is het tweede ding vanmorgen waar ik trots op ben, en ik zou ze allebei aan niemand vertellen.
De deur gaat open.
De vrouw in het blauw kijkt naar het blad in haar hand en dan naar mij, want er is niemand anders meer, en ze zegt mijn naam toch, voluit, met de voornaam erbij, zoals ze dat doen.
Ik sta op.
De agenda valt van mijn schoot. Hij valt open, op volgende week.
Ik raap hem op. Ik klap hem dicht. Ik steek hem in mijn binnenzak, waar hij hoort.
Ik neem ook het tijdschrift mee. Ik weet niet waarom. Ik leg het weer neer.
“Komt u maar mee.”
Ik ga mee.




Euh?! Waar is het vervolg??