Dinsdagavond, kwart voor twaalf, vier vensters open. In het eerste bouwt een agent een datamodel, in het tweede ploegt een script zich door een berg jaarrekeningen, in het derde staat een halve landingspagina te wachten op een beslissing die alleen ik kan nemen, en in het vierde ben ik iets aan het debuggen waarvan ik al twintig minuten niet meer weet waarom ik eraan begonnen ben.
Van beneden komt de vraag of ik nog kom slapen. Ik roep “ja, direct”. Voor de niet-Vlamingen onder ons: direct is bij ons een tijdseenheid die kan oplopen tot anderhalf uur, en de klok begint pas te lopen op het moment dat je het woord uitspreekt.
Ik ga hier niet zitten klagen, want dit is oprecht het plezantste werkjaar dat ik in tijden gehad heb. Dat maakt het net zo verwarrend. Er bestaat geen goede naam voor een probleem dat aanvoelt als een cadeau.
Het kerkhof van de 96
Ideeën zijn nooit mijn probleem geweest. Ik heb er negenennegentig, en dat is nog het conservatieve getal, dat is het cijfer op een rustige dag. Iedereen die ooit met mij van Gent naar Brussel gereden is weet dat ik er onderweg nog een stuk of zes bij verzin, waarvan ik er twee aan hen probeer te slijten nog voor we voorbij Ternat zijn.
Jay-Z had negenennegentig problemen en één ding was er geen van. Bij mij was dat altijd het ideeëntekort. Jarenlang was dat het geruststellende deel van de zin.
Want naast die negenennegentig ideeën had ik iets wat veel meer waard was, en dat was een filter. Gratis, automatisch, ingebouwd, altijd aan, nooit gecrasht. Hij heette Realiteit en hij werkte met een efficiëntie waar ik alleen maar jaloers op kon zijn. Een idee kwam binnen en had binnen de dertig seconden zijn vonnis: te duur, te moeilijk, kan ik niet zelf, daar heb ik een designer voor nodig en een developer en iemand die weet hoe een database vanbinnen werkt, plus drie maanden, plus een budget dat ik niet ga vrijmaken voor iets waarvan ik zelf nog niet eens overtuigd ben.
Zesennegentig van de negenennegentig gingen zo het kerkhof op, en ik heb daar nooit een nacht van wakker gelegen. Dat kerkhof heeft mij in zestien jaar bureau meer geld bespaard dan gelijk welke adviseur, en ik heb er nooit een euro voor betaald, wat het meteen tot de best renderende investering van mijn loopbaan maakt.
En toen is het gesloten. Zonder aankondiging, zonder afscheidsdrink. De reden om er nog iets te begraven is er op een bepaald moment gewoon uitgevallen.
Dus nu heb ik negenennegentig problemen. En het zijn allemaal ideeën.
Wacht, dat kan gewoon?
Je kent dat moment waarschijnlijk zelf al.
Je hebt een idee dat vroeger een briefing, een offerte, een leverancier en een volledig kwartaal gekost zou hebben. En op een zaterdagnamiddag, met de radio op, zit je ernaar te kijken. Het werkt. Er zit data in. Het is lelijk, maar het werkt.
Ik ga daar niet flauw over doen, want het is fantastisch. Er staan vandaag tools online die er anders nooit gekomen waren, en meestal niet omdat ze te ambitieus waren. Ze waren te klein. Te klein om iemand voor in te huren, te groot om er zelf een avond aan te verliezen, en dus vielen ze jarenlang precies tussen twee stoelen. Dat is de categorie die nu opeens wel gemaakt wordt.
De eerste keer dat mij dat overkwam heb ik er, geloof ik, luidop bij gelachen. In een leeg bureau. Op een zaterdag. Ik zeg er maar bij dat het toen nog grappig was.
De kleine lettertjes bij de superkracht
Er zit alleen iets in dat op geen enkel congrespodium vermeld wordt, en het heeft te maken met hoe je zoiets leest.
Een mail van een collega bestaat voor negentig procent uit ruis. “Dag Bart, hopelijk alles goed daar, ik zag vorige week nog dat jullie...” Je scant, je vist er de twee zinnen uit die ertoe doen, je antwoordt in veertig seconden en je bent weg. Je brein mag het grootste deel overslaan, en het is er ook op gebouwd om dat te doen.
Een AI-output bevat geen ruis. Er staat geen beleefdheidsformule in waar je overheen kan kijken, geen aanloopje, geen weerbericht. Elk woord draagt betekenis en elk woord is een beslissing die iemand anders al in jouw plaats genomen heeft. En ergens tussen die woorden zit er één fout. Meestal net dat ene dat er het meest zelfverzekerd uitziet.
Dus lees je alles. Volledig, op honderd procent, elke keer opnieuw. En dan beslis je: ja, nee, opnieuw, anders, laat maar. En dan het venster ernaast, waar er ondertussen ook iets klaarstaat.
Ergens onderweg ben ik gestopt met maken. Ik ben ploegbaas geworden, en ik heb mezelf niet eens de moeite gedaan van een sollicitatiegesprek. Mijn ploeg is nooit ziek, klaagt nooit over de planning, vraagt geen opslag en werkt door tijdens het bouwverlof. Ze vraagt ook nooit “Bart, zijt gij daar zeker van?”, en dat blijkt achteraf het duurste ontbrekende personeelslid te zijn.
Ondertussen wachten ze wel. Geduldig. Met die cursor die maar blijft knipperen. Dat knipperen is het meest passief-agressieve geluid van deze eeuw, en het maakt niet eens geluid.
Attention is all you need
Het onderzoekspaper waar deze hele toestand uit voortkomt heet “Attention is all you need”. De auteurs bedoelden dat als een technische keuze in de architectuur van hun model.
Ik ben het intussen beginnen lezen als een doktersbriefje.
Want de flessenhals is niet verdwenen, hij is verhuisd. Vroeger zat hij bij geld, bij skills en bij leveranciers, en dat waren stuk voor stuk dingen buiten mijn hoofd, waar ik met een gerust gemoed iemand anders de schuld van kon geven. Nu zit hij tussen mijn oren, en daar kan ik niets bijbestellen. Van mij bestaat er één exemplaar, hij draait nog altijd op de originele hardware, en er is sinds ergens in mijn puberteit geen enkele update meer uitgerold. Mijn hoofd heeft ook geen context window. Het heeft een kattenluik.
Het resultaat is dat ik overdag het gevoel heb dat alles kan, en ‘s avonds koppijn heb. Echte koppijn, boven de wenkbrauwen, van het soort dat niet weggaat van nog een koffie.
En toen betrapte een onderzoek mij
In maart publiceerden het BCG Henderson Institute en de University of California Riverside een studie in Harvard Business Review bij bijna vijftienhonderd werknemers. Ze hebben er een naam voor: AI brain fry, mentale vermoeidheid door overmatig gebruik van of toezicht op AI-tools, voorbij wat je cognitief aankan.
In een land waar op elk dorpsplein een frituur staat en waar we met droge ogen kunnen discussiëren over ossewit, klinkt “brain fry” bijna als iets dat je met een stokje eet. Het is dat niet. Er zit ook geen saus bij.
De omschrijvingen van de deelnemers vond ik ongemakkelijk herkenbaar. Een zoemend gevoel achter de ogen. Mist. Trager beslissen. Hoofdpijn. Mensen die fysiek van hun scherm moesten wegwandelen om te resetten, wat de menselijke versie is van de stekker er even uittrekken en terug insteken. Eén iemand beschrijft het als een dozijn browsertabbladen die openstaan in zijn hoofd, allemaal tegelijk om aandacht roepend.
En dan de cijfers. Toezicht houden blijkt het duurste onderdeel te zijn, duurder dan het werk zelf: veertien procent meer mentale inspanning, negentien procent meer informatie-overload. Wie brain fry ervaart maakt negenendertig procent meer grote fouten en heeft drieëndertig procent meer beslissingsvermoeidheid. Van één naar drie tools stijgt de productiviteit, vanaf vier zakt ze. De tools worden niet slechter, het managen ervan wordt gewoon duurder dan wat het oplevert, wat elke bureaudirecteur die ooit een team van twintig naar dertig man heeft laten groeien onmiddellijk zal herkennen.
Het cijfer dat mij het hardst aankwam is dit: veertien procent van alle AI-gebruikers herkent brain fry, maar in marketing is dat zesentwintig procent. Het hoogste van alle beroepsgroepen in de studie. Bij juristen is het zes procent, wat ik hen van harte gun, al vermoed ik dat ze het gewoon per uur factureren.
Wij zitten dus in de beroepsgroep die AI het luidst staat aan te prijzen en er tegelijk het hardst van in de kreukels ligt. Ik heb vorig jaar een keynote gegeven met als titel: ben jij de kanarie of de mijnwerker? Ik heb het antwoord toen elegant aan de zaal overgelaten, wat sprekers doen als ze het zelf niet weten. Ik weet het intussen wel. Ik ben de mijnwerker die zijn kanarie al maanden negeert en er zelfs af en toe iets tegen mompelt.
De spiegel, en ze staat ongunstig
Zestien jaar lang heb ik een bureau geleid en zestien jaar lang heb ik mensen uitgelegd dat een team op honderdtwintig procent geen prestatie is maar een kwestie van tijd. Ik heb daar zelfs planningsystemen voor opgezet.
Nu doe ik precies datzelfde met mezelf, met een enthousiasme dat ik bij een medewerker binnen de week zou gecorrigeerd hebben, waarschijnlijk op een toon die de betrokkene zich nog jaren zou herinneren.
Erger nog: ik heb een heel meetsysteem gebouwd om scope uit te drukken, gekalibreerd op tienduizend tariefpunten over eenentachtig bureaus, met een rekenkern die tweeënzeventig tests doorstaat, precies zodat mensen zouden zien wanneer een opdracht groter is dan wat er redelijkerwijs in past. Op mezelf pas ik het niet toe. De schoenmaker en zijn kinderen, maar dan met een MySQL-database en een dashboard erbij.
De echte denkfout ligt trouwens dieper en is veel ouder dan al die tools. Ik ben blijven rekenen alsof ideeën schaars zijn, want dat is de logica waarmee ik ben grootgebracht: een goed idee is kostbaar, laat het niet liggen, het zou zonde zijn. Vanuit die logica is elke minuut zonder werk een verlies, want er staan er nog zesennegentig te wachten die intussen wél gemaakt kunnen worden.
Alleen zijn ideeën nooit schaars geweest. Uitvoering was schaars, en die is nu spotgoedkoop. Wat overblijft als schaars goed ben ik, en op mij zit geen kortingsactie.
Wat ik nu probeer
Geen tienstappenplan, want daar heb ik zelf ook nooit iets aan gehad. Vier dingen, waarvan ik er regelmatig drie verknoei.
Maximaal drie tegelijk. Het onderzoek zegt dat het vanaf vier de verkeerde kant opgaat, en toen ik dat naast mijn eigen dinsdagavonden legde klopte het pijnlijk goed. Bij vier vensters ben ik aan het jongleren, en jongleren voelt productief precies omdat het inspannend is. Dat is de val. Inspanning en vooruitgang zijn twee verschillende dingen, wat ik weet, en wat ik om kwart voor twaalf systematisch vergeet.
Het kerkhof heropend. Ideeën laten vallen is opnieuw een keuze geworden in plaats van een gebrek, en dat is wennen. Iets weggooien dat technisch perfect haalbaar is voelt als geld door de wc spoelen. Het is de enige manier waarop die andere drie iets worden dat ik durf tonen.
Live kijken of achteraf kijken. Niet alles heeft realtime toezicht nodig. Bij hoog risico wel, juridisch, financieel, alles waar een klantnaam op staat. Bij laag risico en repetitief werk mag het in blok, achteraf, met een koffie ernaast. Dat scheelt meer dan je zou denken, want de kost zit niet in het controleren zelf maar in het heen en weer springen.
Downtime hernoemd. Ik heb dit jaar meer bruikbare ideeën gehad op een wandelpad dan achter een scherm. Het scherm heeft ze uitgevoerd, snel en netjes, maar bedacht heeft het ze niet. Een hoofd dat niets te doen heeft is een hoofd dat dingen aan elkaar begint te knopen die niet bij elkaar horen, en dat is zowat de definitie van ons vak.
En toch
Terug wil ik niet. Voor geen geld.
Want kijk eens wat er eigenlijk gebeurd is. De vraag “kunnen wij dit maken?” is opgelost en het antwoord is bijna altijd ja. Wat overblijft is: is dit het waard om te maken? Dat is een veel betere vraag, en eerlijk gezegd de vraag waar ons vak altijd al over ging, alleen kwamen we er zelden aan toe omdat we vastzaten in de vorige.
Smaak, oordeel, durven kiezen, iets goeds laten liggen omdat er iets beters ligt: dat is nu het schaarse goed. Goed nieuws voor iedereen die daar sterk in is, en dat zijn er meer dan de technologiepagina’s laten uitschijnen.
Alleen moet je die vraag beantwoorden met een hoofd dat nog werkt. Een gefrituurd brein maakt geen scherpe keuzes, het maakt vooral véél keuzes, en dat is iets helemaal anders. De machine hallucineert af en toe een bronvermelding bij elkaar. Ik hallucineer tegen dat uur dat ik nog fris ben.
Dus ja, alles kan nu. Er zat alleen geen handleiding bij, en als er ooit één komt zou er wat mij betreft maar één zin in moeten staan: je hoeft ze niet alle negenennegentig te maken. Je mocht altijd al kiezen. Het is alleen lastiger geworden, want het excuus is weg.
Ik heb nog steeds negenennegentig ideeën. Ik heb er deze week drie van gekozen. De andere zesennegentig mogen wachten, en voor het eerst in lange tijd is dat een beslissing en geen tekort.
Ik ga slapen. Direct.



